Augustina Wilhelmina Mataheru-Latupeirissa
Op 31 juli 1925 werd Oma Au geboren in het dorp Haria op het eiland Saparua gelegen op het eilandenrijk, de Molukken. Net als vele Molukkers in Nederland, leeft ook zij hier sinds 1951 en delen zij een treurige geschiedenis.
Op Haria kreeg ze op school Nederlands les en moest ze de kaart van Nederland leren. Ook werd er Koninginnedag gevierd.
Haar man Philippus Mataheru sloot zich net als vele anderen aan bij het KNIL (koninkllijk nederlands indisch leger), hij stond in dienst van de Nederlanders. Samen vochten ze op Ambon tegen de Japanners. Nadat door de officier van hun eenheid de witte vlag had gehesen wisten de Molukse soldaten met boten te ontsnappen terug naar Haria. Vele nare herinneringen aan deze tijd staan nog op het netvlies van Oma Au. Zo zag zij dat haar vader zwaar gestraft werd door de Japanners vanwege het portret van koningin Wilhelmina dat aan de muur hing. Ook moest zij horen hoe haar broer werd gemarteld in een ton met water waardoor hij overleed. Uit angst voor de Japanners leefden de dorpsbewoners periodes in het nabij gelegen bos. Vanuit deze plek hoog in de bergen, zag oma Au hoe de lucht verlicht werd door de bommen die neer vielen in zee en op het land.
Van de een op andere dag waren de Japanners verdwenen, niet uit vrede wat men aanvankelijk dacht, maar de Japanners hadden gecapituleerd. Phillipus moest zich weer melden bij het KNIL waarna hij werd uitgezonden naar Bali. Oma Au verbleef in een kampentent op Singaradja waar haar man af en toe op bezoek kwam. Toen bekend werd dat Indonesië onafhankelijk zou worden werden ze overgeplaatst naar Maglan op Java.
In 1951 vertrokken ze vanuit Surabaja met de boot naar wat zij dachten; Nieuw-Guinea. Op het schip hadden zij alle wapens moeten inleveren zodat ze geen verzet konden tonen toen ze niet in Nieuw-Guinea maar het koude Nederland aankwamen. Na aankomst in de haven hoorden ze dat ze uit het leger ontslagen waren. Met grote verslagenheid werden de Molukkers verdeeld over bussen naar verschillende plaatsen in Nederland gebracht. Met als enige troost en hoop, de belofte dat het verblijf tijdelijk zou zijn.
De Molukse gezinnen werden ondergebracht in diverse voormalige Joodse kampen. Kinderen werden grootgebracht in de barakken, waar ze op terug kijken als een leuke tijd van saamhorigheid.
Nadat het gezin Mataheru van barak naar barak werden overgeplaatst werden ze in 1961 opnieuw gedwongen te verhuizen, dit maal naar de woonwijk Foxhol. Waar oma Au nu nog steeds woont, en wacht op excuses van de Nederlandse regering.